Omdat dagvlinders in rust hun vleugels meestal niet uitgestrekt houden, zoals ze wel vaak in veldgidsen staan, is er soms geduld nodig om ze goed te herkennen. De onderkant van hun vleugels ziet er meestal heel anders uit dan de vaak heel kleurrijke bovenkant. De bovenkant is vaak goed te zien als de vlinders in de zon zitten. Sommige vlinders, zoals bijvoorbeeld  de citroenvlinder en heidevlindertje, houden als ze zitten hun vleugels schuin om maar zo min mogelijk schaduw te maken. Dan vallen ze namelijk minder op en dat is veiliger.

 

Vlinders worden in groepen ingedeeld

Er zijn super veel vlindersoorten die je met vlinderlokkende planten in de tuin kan halen. Om een beetje overzicht te krijgen worden vlinders in groepen ingedeeld. We noemen er een paar als voorbeeld, maar er zijn er veel meer:

  • Vlinders met voornamelijk witte of gele vleugels: Pieridae (Witjes) zijn dagvlinders met vaak een zwarte tekening zoals het groot koolwitje. Hun rupsen leven op koolsoorten en andere kruisbloemige planten, zoals judaspenning of damastbloem.
  • Blauwe vleugels: Lycaenidae (Kleine pages, vuurvlinders en blauwtjes) zijn dagvlinders waarbij de mannetjes prachtige kleuren hebben zoals het icarusblauwtje. Deze vliegt vaak bij bloeiende wegbermen. Hun rupsen leven op rolklaver.
  • Vleugels bruin met oogvlekken: Satyridae (Zandoogjes) zijn meestal kleine, vaak bruine tot oranje vlindertjes. Bijvoorbeeld het bont zandoogje, ze zijn in bosranden en op bramen te vinden en hun rupsen op grassen. Het bont zandoogje houdt van grote struiken.

Andere groepen zijn bijvoorbeeld:

  • Pages – vrij grote, mooie dagvlinders, de achtervleugels hebben soms ‘staartjes’. Bijvoorbeeld de koninginnenpage, deze vlinder wordt beschouwd als de mooiste vlinder van Nederland. Hun rupsen leven op wilde peen, venkel, dille en andere schermbloemen.
  • Schoenlappers – prachtige dagvlinders die vaak in holle bomen en dergelijke overwinteren zoals de dagpauwoog. Hun rupsen leven op brandnetel. Ook de gehakkelde aurelia, de kleine vos en de atalanta horen bij deze familie.
  • Bladrollers – een groot aantal soorten kleine vlindertjes waarvan de rupsen vaak in samengevouwen of opgerolde bladeren leven.
  • Wortelboorders – vlinders zonder roltong waarvan de rupsen ondergronds op de wortels van allerlei plantensoorten leven.
  • Wespvlinders – vlinders die op wespen lijken maar dat niet zijn. Hun rupsen leven in wortels en stammen.
  • St-Jansvlinders – kleurrijke, wat zeilend vliegende vlinders. Als ze hun vleugels bewegen doen ze dat heel snel. De pop waarin de rups zich in vlinder verandert, hangt vaak aan grasstengels.
  • Zakjesdragers – motachtige, vaak wittige of bruine vlindertjes waarvan de rupsen uit plantendelen een soort kokertjes maken die ze tijdens het eten met zich mee slepen.

 

Dit is nou de hoornaarvlinder, ook bekend als wespvlinder. Lijkt meer op een wesp toch?

Veel meer nachtvlinders dan dagvlinders

En dan is er natuurlijk ook nog een groot aantal families van nachtvlinders die vaak grijze of bruine kleuren vertonen of een camouflagetekening hebben die bijv. sterk op boomschors lijkt. Nachtvlinders vliegen meestal ’s nachts, dagvlinders overdag, maar dat klopt niet altijd. Van de pakweg 160.000 vlindersoorten vliegen er ongeveer 130.000 ’s nacht en dus maar 30.000 overdag. Dat is niet precies bekend.

Er worden nog steeds nieuwe soorten ontdekt. In Europa komen ca. 5000 soorten voor en ongeveer de helft daarvan kun je ook in Nederland en België tegenkomen. In Nederland 56 soorten dagvlinders en meer dan 2000 soorten nachtvlinders waarvan sommige heel zeldzaam zijn.

 

Lees ook: